gelijck-sydige en rechthoeckige vierhoeck of yets anders dat begeert wort te maecken, als gestelt wort, datmen tot AB niet komen kan.

  1. Gegeven zijnde in een voorgestelde liny of wal des vyandts eenige kenbare plaets, als mede een seeckere wijtte, waer uyt men een stuck geschuts in een rechten hoeck tot de gestelde plaets richten moet, de plaets te vinden, alwaer het stuck gestelt moet worden.
  2. Buyten een gegeve liny of deel eens muers, door de punten A en B bepaelt, in een aengewesen wijtte van desleve door eenich overstaendt punt een plaets te vinden even-ver van A en B af-gelegen
  3. Hoemen buyten de onghenaeckelijcke liny of muer AB een punt vinden sal, het welck van de punten A en B in een gegeve ongelijcke wijtte volkomen af-gelegen zy?
  4. Het selve in't bosch, alwaer de punten A en B van ver niet gesien konnen worden, konstichlijck te verrichten.
  5. Hoemen uyt het punt C, op d'overstaende liny AB, wanneer men deselve van C door eenich perijckel of beletsel niet meerder dan den vierde of achtste part der gantse distantie naerderen kan, een perpendiculaer sal laten vallen?
  6. Het selve op een ander manier, sonder meer als een gegeven getal van roeden van C naer AB toe te gaen, gevoechlijck te verrichten.
  7. Hoe men, 't punt C op de kant van een meyr of bosch gegeven zijnde, ofte eenich Leger van achter te na by wesende, sonder van C terugh te gaen, en de muer AB meer als een gegeven getal van roeden van C te naerderen, uyt C op deselve AB een hangende bequamelijck trecken sal?