XII Voorstel

Hoe men in een gegeve wijtte van de liny AB, bepaelt door het punt C, een punt vinden sal, als S, zijnde evenver van beyde eynden A en B af-gelegen, als men tot AB niet komen kan.

Om 't selve te verrichten / soo salmen / na dat door C, na 't 7de Voorstel / met AB ghetogen is de even-wydige CD, in deselve aen weder-syden CE en CF malkander gelijck nemen / soodanich te weeten: dat / als men uyt A en B door E en F rechte linien haelt / deselve te samen komen in G. Het welck
dan altijt geschiet / als EF kleynder is als AB. Daer na in CD nemende DH gelijck EF, soo salmen insgelijcx uyt A en B door D en H rechte linien halen / t'samen-komende in I, en trecken GI. 'tWelck gedaen zijnde / soo salmen uyt C op D, als in't 9de Simpele Werckstuck betoont is / trecken de rechtstaende CK, ontmoetende GI in K, en haelen EK. Hier na in GI teyckenende GL, MI, yder gelijck EF, soo treckt EL, MH, door-snijdende GFB, ADI, in N en O, en haelt uyt O door N de rechte ONP, ontmoetende EK in P. Eyndelijck getrocken hebbende uyt G door P de rechte GPQ, door-snijdende KA in Q en uyt E door Q de rechte EQR, die GI, ofte na dat deselve verlengt is /

ont-