Nu weeg je gewicht in kilogrammen en betaal je in euro's, maar in de zeventiende eeuw betaalde je in vlaamse ponden, guldens, stuivers of penningen en woog je iets in ponden.

Een slager uit Leiden koopt een os voor 18 vlaamse ponden (dat is 108 gulden).
De slager maakt kosten.
Hij neemt voor acht stuivers mee aan wijn.
Hij geeft twaalf stuivers aan de knecht die meegaat.
Hij betaalt de zevende penning aan import rechten. Dat is 15 gulden, 8 stuivers en 9 penningen.
De stad moet hij de veertigste penning betalen aan accijns. Dat is 2 gulden en 14 stuivers.
De huid van de os verkoopt hij voor 10 gulden.
De os heeft 95 pond vet. Dat vet verkoopt hij als smeer voor 4½ stuiver per pond.
Uiteindelijk houdt de slager 605 pond vlees over.

  1. Controleer met een berekening of de import rechten goed uitgerekend zijn.
  2. Controleer ook de accijns.
  3. Hoeveel stuivers moet de slager minimaal per pond vlees vragen om uit de kosten te komen?

Eén vlaams pond, aangeduid met het teken £, is 120 stuivers en dus zes gulden waard.
Eén gulden is twintig stuivers en één stuiver is zestien penningen.