VI. Voorstel.
Hoe men door 't punt C een liny trecken sal, als CI, even-wydich met een ander AB, alsmen tussen beyden niet gaen kan.
Genomen hebbende in AB naer gevallen beyde punten A en B, soo zij in deselve gestelt BD gelijck BA / en uyt C door D getrocken de liny CDE. In welcke genomen hebbende 't punt E / waer 't valt / en getrocken EA / soo zy uyt C door B getogen de rechte CBF ontmoetende EA in F. Daer na nemende in AB eenich ander punt G / waer 't valt / en in deselve stellende GH gelijck GA: soo sal / alsmen van G met een boot of sloup uyt-vaert in de roying FG / totter tijt men zy gekomen tot I in de roying EH / de liny / die tussen beyde punten C en I verdacht wort / evenwydich zijn met BA.