kan tot een verscheyde eyndt, maer oock mettet grootste vermaeck gebruyct worden, om vreemde gedaenten van dingen te vertoonen.

Sal ick hier oock de Dioptrica voor-by gaen? de welcke niet alleen dit heeft, datmen sonder haer de reden van't Gesicht, als oock van 't Licht en de Coleuren geensins uytleggen kan; maer oock dit haer selven toepast, datse ons leert brant-glasen en andre maecken, waer door de straelen, verscheydelijck worden verbroocken, en die sowel tot verre-kijckers, als om op eenige wijs het gesicht te verklaren, dienstich zijn: En sal nu de beschrijving der Kegel-sneden hier tot niet vorderlijck geacht worden: dewijl de Dioptrica ons leert, dat sodanige glasen in form van een Ellipsis en Hyperbole geslepen moeten worden? Waer van men dan de Dioptrica van den Wel-Edelen en Wijt-vermaerde Heer Renatus des Cartes insien kan;in welcke hy met een sonderlinge kortheyt, alle't geene van de weersteut en verbreecking der straelen, an andre dingen, tot de volmaectheyt van't gesicht gehoorende, verstaen kan worden, seer subtijl verhandelt; en dat te vooren aen de wetten der Refractie ontbrack, heeft hy aldaer ten vollen volbracht.

By de Optica komt noch de Perspectijf, dewelcke niet alleen tot d'aenmercking des voorwerps dient, gelijck de Optica; maer selfs oock, om de schijnbaere form in't plat te teyckenen. Waerom men dan niet te twijffelen heeft aen de korticheyt der tuych‑werckelijcke beschrijving van de Kegel-sneden in d'afteyckening der Circulen: gemerct dese afteyckening doorgaens niet anders als een van dese Kegel-sneden is. Vorders hoe dickwils daer het beschrijven van een Ellipsis meer als van d'andre te pas komt, acht ick niemant onbekent te sullen wesen, die sich oyt mettet maecken van platte Sphæren bemoeyt heeft. Soo dat in dese eeuw, wegens den bysondren yver tot de Kegel-sneden, de Optica oock tot den hooghsten top toe schijnt gekolommen te wesen.

'k En behoeft hier niet veel te seggen van de Gnomonica, welckers gantsche werck by na in't beschrijven van Kegel-sneden bestaet, aengesien de Son aldaer os daeglijcx door sijn omdraeyen een kegel gestelt wort te beschrijven, die wy de Kegel des Lichts noemen, welckers basis de circkel is die hy beschrijft, en tot het opperste der stijl, en de Sonnewyser self het vlack dat door de kegel, die tegen over de voorgaende gestelt wort, gaet, en kegel der schaduwe genoemt wort. Soo dat de linien, di avan het uytterste der schaduwe des stijls op

't vlack