reden / door hulp van 't 1ste deel deser regel vindt den teller en noemer van 't 1ste gebroocken
4
3
/ en daer na door middel van 't laetste deel den teller en noemer van't 2de gebroocken
12
5
/ en eyndelijck uyt dese twee alle de andre / gelijck geseyt is / men oock also door hulp van't 1ste deel alleen de teller en noemer vinden kan van het 2de gebroocken / mits daer toe gebruyckende de termen der reden van 2 tot 3 ; en van alle de volgende / mits daer toe gebruyckende de termen der redens van 3 tot 4 / 4 tot 5 / 5 tot 6 / etc.

'Tselve verstaet van de volgende.

Alsoo / indien de termen der reden zijn 1 en 3 / soo salmen daer uyt door 't eerste deel der regel vinden 't gebroocken
3
4
; en nemende de termen der reden van 3 tot 5 / soo salmen daer uyt vinden 't gebroocken
15
8
; ende alsoo voort alle de volgende
35
12
,
63
16
,
99
20
,
143
24
,
195
28
,
255
32
,
323
35
, te weeten / ghebruyckende de termen der redens van 5 tot 7 / 7 tot 9 / 9 tot 11 / 11 tot 13 / 13 tot 15 / 15 tot 17 / 17 tot 19. Waer uyt dan de tweede Progressie van Stifelius
3
4
,
17
8
,
211
12
,
315
16
,
419
20
,
523
24
,
627
28
,
731
32
,
835
36
, &c. ontstaet.
Op de selve manier salmen vinden / dat de termen der Progressie
8
15
,
123
33
,
238
51
,
353
69
,
468
87
,
583
105
, &c. voort-komen van de termen deser redens 1−4, 4−7, 7−10, 10−13, 13−16, 16−19, &c.
En die der Progressie
5
15
,
117
28
,
229
44
,
341
60
,
453
76
,
565
92
, &c.
uyt dese 1−5, 5−9, 9−13, 13−17, 17−21, 21−25, &c.
En die der Progressie
12
35
,
147
85
,
282
135
,
3117
185
,
4152
235
,
5187
285
, &c.
uyt dese 1−6, 6−11, 11−16, 16−21, 21−26, 26−31, &c.
En die der Progressie
7
24
,
131
60
,
255
96
,
379
132
,
4103
168
,
5127
204
, &c.
uyt dese 1−7, 7−13, 13−19, 19−25, 25−31, 31−37, &c.
En alsoo van andre.
Insgelijcx soo spruyten de termen der Progressie
20
21
,
22
39
,
35
57
,
48
75
,
511
93
,
614
111
, &c.
uyt dese 2−5, 5−8, 8−11, 11−14, 14−17, 17−20, &c.
En die der Progressie
11
20
,
25
36
,
39
52
,
413
68
,
517
84
,
621
100
, &c.
uyt dese 3−7, 7−11, 11−15, 15−19, 19−23, 23−27, &c.
En die der Progressie
17
65
,
222
115
,
337
165
,
452
215
,
567
265
,
682
315
, &c.
uyt dese 4−9, 9−14, 14−19, 19−24, 24−29, 29−34, &c.

Voorts is te weeten / dat door elck een deser gebroockens telckens een driehoeck vertoont wordt in de minste getallen / die met deselve een selvige reden hebben / en dienvolgens soo men alle dese driehoecken neemt gelijckformig gestelt te zijn / dat deselve dan geduerich van een ander en ander gedaente sullen wesen. Sulcx dat yemandt hier door met weynich moeyten hondert en meer driehoecken / die van den andren versccheyden zijn / in een uur vinden kan.

VII> Afdee-