1. Langwerpige ruit [Rhomboides] is wiens tegenover staende houcken, gelijck zijn, sonder te zijn gelijcksijdich, ofte rechthouckich.

    Dese ende de formen der voorgaende 31. en 32. diff. werden van Euclides inde volgende 34 prop. ghenaemt parallelogrammen: so dat voor parallelogram generalick verstaen wert, een viersydige figuer welcke de tegenoverstaende syden gelijckwijdich, en houcken ghelijck heeft.

  2. Alle andere figueren met vier sijden, noemtmen ongeschickte vier- viercanten [trapezia].
  3. Gelijckwijdige rechte linien [parallelæ rectæ linea] zijn, welcke op eene superficie zijn, ende verlengt zijnde aen d'een of d'ander sijde, nimmermeer t'samen comen.

Begeerten [Postulata].

  1. Van een gegeven punt, tot een ander punt, een rechte linie te trecken.

    2.Een