1. Hoemen op een rechte linie wt een punt in de selve, een perpendiculaer sal stellen.
  2. Hoemen op een rechte linie, wt een punt buyten de selve, een perpendiculaer sal laten vallen.
  3. Als een rechte linie op een ander rechte linie valt, dan zijn de houcken aen beyde sijden, recht, ofte tsamen twee rechte houcken gelijck.
  4. So op't eynde eener linie, twee ander rechte linien van beyde sijden, t'saemen comen, also dat sy twee houcken maecken, t'saemen twee rechte houcken gelijck: dan sullen deze linien malcander rechtelick ontmoeten.

    Is een gevolch der 13.

  5. So twee rechte linien malcander doorsnijden, sullen de teghenover staende houcken gelijck zijn.
  6. Als een sijde eens triangels verlengt wert, dan is den wtwendigen houck meerder,als d'een of d'ander teghenover staende inwendighen houck.

17.Van


De woorden "op't eynde" zijn doorgehaald. Erboven staat "tot een punt".