1. Van elcke triangel, zijn twe houcken, hoemen die neemt, t'saemen kleender als twee rechte houcken.
  2. In elcken triangel, is de langste sijde over den wijtsten houck.
  3. In elcken triangel, is den wijtsten houck, over de langste sijde.

    Is de contrarie der 18.

  4. In elcken triangel, zijn altijt twee sijden, hoemen die neemt,t'saemen langer als de derde.
  5. So vande eynden eener sijde eens triangels, twee rechte linien ghetrocken werden, die malcander inwendich ontmoeten, dese zijn minder als de sijden des triangels, maer maecken een grooter houck.
  6. Hoemen van drie rechte linien, waer van altijdt de twee t'saemen langher zijn als de derde, een triangel maecken sal.
  7. Hoemen op een rechte linie, wt een punt inde selve, een rechtlinischen houck maecken sal, ghelijck een gegeven rechtlinischen houck.

24.So