Als eerst de 4. Prop. hoe door een bekenden houck, en houcksyden, de ander houcken, en syde, te vinden zijn.
    De 8.Prop. dat men door de drie syden, de houcken bysonder, vinden can.
    Ende dese 26.Prop.dat door twee houcken, en eene syde, de ander syden, en houck, te vinden zijn. Door welckes behulp, ende der tafelesinus tangent, en secant, verscheyden voorcomende onghenaeckelicke distantien, hoochten en diepten, connen ghevonden, en allerley onbeganglicke plaetsen, als waters, morasschen, bosschagien etc.gemeeten, werden.

  1. So een rechte linie, op twee ander rechte linien valt, also, dat de verwisselde houcken [alterni anguli] gelijck zijn, zijn dan de selve linien parallel.
  2. So een rechte linie, op twee rechte linien valt, also, dat den wtwendigen houck, sijn tegenoverstaende inwendigen, op de selve sijde, ghelijck is: ofte beyde inwendighe op eene sijde, gelijck twee rechte, dan zijn de selve linien parallel.

    Dese