triangels bekent zijn, den derden onbekenden houck gevonden.

  1. De rechte linien, welcke twee gelijcke parallel linient'saemen vougen, zijn mede gelijck, en parallel.
  2. In alle parallelogrammen, zijn de tegenoverstaende sijden, en houcken gelijck: ende wert vanden diameter (of diagonael) gedeelt in twee gelijcke deelen.
  3. Alle parallelogrammen, op eenen basis, en gelijcke hoochte, zijn gelijck.
  4. Alle parallelogramme op gelijcke basis, en hoochte, zijn gelijck.
  5. Alle triangels op eenen basis, en gelijcke hoochte, zijn gelijck.
  6. Alle triangels op ghelijcke basis, en met gelijcke hoochte, zijn gelijck.
  7. De ghelijcke triangulen op eenen basis, zijn op de selve sijde van gelijcke wijtte_.
  8. De gelijcke triangulen, op gelijcke basis, zijn op de selve sijde mede

van


Ingevoegd is "aan de selve zijde"

De woorden "gelijcke hoochte" zijn doorgehaald. Erboven staat "tusschen 2 = linien". Met het = teken worden parallele lijnen bedoeld.