1. So vier linien proportionael zijn, dan is den rechthouck van beyde wterste, gelijck met van de middelste, ende so den rechthouck van de wterste ghelijck is met van de middelste, zijn de vier linien proportionael.

    Dese is de 19. des 7. ghelijck: wt welcker beweesen can werden de oorsaecke der maniere des werckens in den gulden regel, anders, den Regel van drien, te weten waerom men aldaer het 2. met het 3. ghetal multipliceert ende 't product door het 1. divideert, om het 4. te krijgen.

  2. So drie linien proportionael zijn, dan is den rechthouck vande wterste, gelijck 't quadraet der middelste: ende so den rechthouck der wterste ghelijck is 't quadraet der middelste, zijn de drie linien proportionael.
  3. Op een rechte linie een rechtlinische figuer te beschrijven, ghelijckformich, en ghelijckformich, gestelt met een ghegeven rechtlinische figuer.

19.Alle


Het woord "ghelijckformich" is doorgehaald. Erboven staat "....".
Bij Dijksterhuis staat: Op een gegeven rechte een rechtlijnigen figuur te beschrijven, gelijk­vormig en gelijk gelegen met een gegeven rechtlijnige figuur.