1. Als op de helft eener linie, een parallelogram ghemaeckt wert, ende een ander op een stuck, also, dat het parallelogram op 't resterende stuck gemaeckt, het eerste gelijckformich is, ende gelijckformich met desselven diameter gestelt, dan sal het parallelogram op de halve linie, grooter zijn, als op't eerste stuck.
  2. Op een rechte linie een parallelogram te vougen, gelijck een gegeven rechtlinische figuer, welcke tot vervulling der linie mach ontbreecken een parallelogram, welcke een gegeven gelijckformich is, doch dat de gegeven rechtlinische figuer niet grooter zy als't parallelogram, welcke op de halve linie ghestelt, het gegevene ghelijckformich is.
  3. Op een rechte linie een parallelogram te voughen, gelijck een gegeven rechtlinische figuer, also dat van't selve een stuck buyten come, gelijckformich met een ander gegeven parallelogram.

30.Een