www.fransvanschooten.nl

Snijdende lijnen


Uitwerking Opdracht 124


 
  • Gegeven is:
    • AB = AF
    • AD = AE
    • punt G is snijpunt van BE en DF.
    • ABAD
  1. Toon aan dat ∆ABE = ∆AFD en dat dus BE = DF en dat dus ∠BEF = ∠BDF en ook ∠B1 = ∠F1

    Antwoord: Beide driehoeken hebben een gelijke hoek in punt A, want 15 overstaande hoeken zijn even groot: ∠A1 = ∠A3. Omdat de aanliggende zijden in hoek A even lang zijn, AB = AF en AD = AE, daarom 4 is ∆ABE = ∆AFD.
    Dus zijn alle overeen­komstige zijden even lang, BE = DF, en alle overeen­komstige hoeken even groot: ∠E1 = ∠D1 en ook ∠B1 = ∠F1.
  2. Toon aan dat ∆EFG = ∆DBG en dat dus DG = EG en ook BG = FG.

    Antwoord: Omdat ∠B1 = ∠F1 (stap 1), daarom 13 zijn de neven­hoeken even groot: ∠B2,3 = ∠F2,3. Omdat AB = AF en AE = AD (gegeven), daarom BD = EF. Omdat beide driehoeken gelijke hoeken hebben en de overeen­komstige zijden even lang zijn, daarom 26 zijn beide driehoeken aan elkaar gelijk: ∆EFG = ∆DBG. Dus zijn ook de overeen­komstige zijden even lang: DG = EG. Omdat BE = DF (stap 1), daarom BG = FG.
  3. Benoem alle gelijkbenige driehoeken.

    Antwoord: Gelijkbenig zijn
    • ADE omdat AD = AE (gegeven)
    • ABF omdat AB = AF (gegeven)
    • DGE omdat DG = EG (stap 2)
    • GBF omdat GB = GF (stap 2)
  4. Onder welke voorwaarde is lijn EB evenwijdig aan lijn DF en wat betekent dat voor ∆ABE?

    Antwoord: In het bijzondere geval dat ∠B1 = ∠D1, dan zijn het Z-hoeken en dan 27 is lijn BE evenwijdig aan lijn DF. Omdat ∠D1 = ∠E1 (stap 1) en omdat ∠B1 = ∠D1 (voorwaarde) daarom is ∠B1 = ∠E1, wat betekent 5 dat ∆ABE gelijkbenig is en dat dus AB = AE.
  5. Waarom snijden de lijnen EB en DF elkaar wel als AB ≠ AD en niet als AB = AD?

    Antwoord: Als AB = AD dan zijn er Z-hoeken (stap 4) en in dat geval zijn de lijnen EB en DF evenwijdig aan elkaar. Omdat evenwijdige lijnen elkaar niet snijden, daarom snijden de lijnen EB en DF elkaar niet als AB = AD.
    Als AB ≠ AD dan zijn er géén Z-hoeken en zijn de lijnen EB en DF niet evenwijdig aan elkaar. In dat geval snijden de lijnen EB en DF elkaar dus wel.

 
Applet


 

Erfenis


 

 
 

top
 


Proposities van Euclides

  1. (Euclides I-4)
  2. (Euclides I-5)
  3. (Euclides I-13)
  4. (Euclides I-15)
  5. dan zijn die driehoeken gelijk. (Euclides I-26)
  6. Als een rechte lijn twee andere lijnen snijdt met even grote verwisselende hoeken, dan zijn die twee lijnen evenwijdig. (Euclides I-27)

top


Verdeel een vierhoekig stuk land

top