www.fransvanschooten.nl

4 vwo wiskunde B

Parallellogram

Hoofdstuk 5


Schets bij opdracht 26


Uitwerking Opdracht 26 a

Gegeven is parallellogram ABCD.
Bewijs dat de vier deellijnen een rechthoek insluiten.

  • Gegeven is:
    • parallellogram ABCD
    • de snijpunten van de deellijnen P, Q, R en S
  • Te bewijzen:
    • vierhoek PQRS is een rechthoek
  • Definitie:
    • Een vierhoek met vier rechte hoeken is een rechthoek.
  1. Omdat in een vierhoek de hoekensom 360° is,
    daarom ∠A + ∠B = ∠C + ∠D = 360°.
  2. Omdat in een parallellogram overstaande hoeken even groot zijn,
    daarom ∠A = ∠C en ∠B = ∠D.
    en dus ∠A + ∠D = 180°.
  3. Omdat een deellijn een hoek in twee even grote hoeken deelt,
    daarom ∠A1 = ∠A2 en ∠D1 = ∠D2
    en dus ∠A2 + ∠D1 = 90°.
  4. Omdat in ∆ADP geldt ∠A2 + ∠D1 + ∠P3 = 180°, (hoekensom driehoek)
    en ∠A2 + ∠D1 = 90° (stap 3)
    daarom ∠P3 = 90°
    en dus zijn de hoeken in punt P recht.
  5. Evenzo zijn de andere hoeken in de punten Q, Q en S recht.
  6. Conclusie: vierhoek PQRS is een rechthoek.

top
 


Schets bij opdracht 26


Uitwerking Opdracht 26 b

Gegeven is vierhoek ABCD waarvan de vier deellijnen een rechthoek insluiten.
Bewijs dat vierhoek ABCD een parallellogram is.

  • Gegeven is:
    • vierhoek ABCD
    • de punten P, Q, R en S zijn de snijpunten van de deellijnen
    • rechte hoeken in de punten P, Q, R en S
  • Te bewijzen:
    • vierhoek ABCD is een parallellogram
  • Definitie:
    • Een vierhoek waarvan de tegenoverliggende zijden evenwijdig zijn is een parallellogram.
  1. De hoekensom van driehoek APD is 180°.
    Omdat ∠P = 90°
    daarom ∠A2 + ∠D1 = 90°
  2. Omdat ∠A1 = ∠A2 en ∠D1 = ∠D2
    daarom ∠A1,2 + ∠D1,2 = 180°
    en dus zijn de zijden AB en CD evenwijdig.
  3. Evenzo in driehoek BCR
    en dus zijn de zijden AD en BC evenwijdig.
  4. van vierhoek ABCD zijn de overstaande zijden evenwijdig.
  5. Conclusie: vierhoek ABCD is een parallellogram.

top