www.fransvanschooten.nl

5 vwo wiskunde B

Cirkel raaklijnen

Hoofdstuk 5


Schets bij opdracht 30


Geogebra bij opdracht 30

Schets

Uitwerking Opdracht 30

Gegeven zijn twee rakende cirkels c1 en c2 met middelpunten M en N en raakpunt A.
Lijn l raakt cirkel c1 in punt B.
De loodlijn op l door punt N snijdt lijn l in punt D en cirkel c2 in de punten E en F.
Bewijs dat één van de punten E of F op lijn AB ligt.

  • Gegeven is:
    • cirkel c1 met middelpunt M
    • cirkel c2 met middelpunt N
    • raakpunt A
    • lijn l die beide cirkel c1 raakt in de punt B
    • loodlijn op l door punt N snijdt lijn l in punt D en cirkel c2 in de punten E en F.
  • Te bewijzen:
    • één van de punten E of F ligt op lijn AB.

Je mag er niet vanuit gaan dat punt A op lijn BF ligt.

  1. Omdat lijn AM en lijn BM stralen zijn van dezelfde cirkel c1,
    daarom |AM| = |BM|,
    dus is ∆ABM gelijkbenig en dus ∠MAB = ∠MBA.
  2. Omdat lijn AN en lijn FN stralen zijn van dezelfde cirkel c2,
    daarom |AN| = |FN|,
    dus is ∆AFN gelijkbenig en dus ∠NAF = ∠NFA.
  3. Omdat beide cirkels elkaar raken in punt A,
    daarom hebben de stralen AN en AM een gemeenschappelijke raaklijn
    en dus liggen de punten M, A en N op één lijn.
  4. Omdat lijn BM loodrecht staat op lijn l en lijn l loodrecht staat op lijn DENF, (gegeven)
    daarom zijn de lijnen DENF en MB evenwijdig.
  5. Omdat de lijnen DENF en MB evenwijdig zijn, (stap 4)
    daarom maakt lijn MAN Z-hoeken en dus ∠ANF = ∠AMB.
  6. Omdat de tophoeken van ∆AFN en ∆ABM even groot zijn, (stap 5)
    daarom zijn ook de basishoeken even groot
    dus ∠NAF = BAM.
  7. Omdat de punten M, A en N op één lijn liggen, (stap 3)
    en de overstaande hoeken in punt A even groot zijn, (stap 6)
    daarom ligt lijn AF in het verlengde van lijn AB.
    en dus liggen de drie punten A, B en F op één lijn.
  8. Conclusie: punten F, ligt op lijn AB.

top