|
Uitwerking Opdracht 30
Gegeven zijn twee rakende cirkels c1 en c2 met middelpunten M en N en raakpunt A.
Lijn l raakt cirkel c1 in punt B.
De loodlijn op l door punt N snijdt lijn l in punt D en cirkel c2 in de punten E en F.
Bewijs dat één van de punten E of F op lijn AB ligt.
- Gegeven is:
- cirkel c1 met middelpunt M
- cirkel c2 met middelpunt N
- raakpunt A
- lijn l die beide cirkel c1 raakt in de punt B
- loodlijn op l door punt N snijdt lijn l in punt D en cirkel c2 in de punten E en F.
- Te bewijzen:
- één van de punten E of F ligt op lijn AB.
Je mag er niet vanuit gaan dat punt A op lijn BF ligt.
- Omdat lijn AM en lijn BM stralen zijn van dezelfde cirkel c1,
daarom |AM| = |BM|, dus is ∆ABM gelijkbenig en dus ∠MAB = ∠MBA.
- Omdat lijn AN en lijn FN stralen zijn van dezelfde cirkel c2,
daarom |AN| = |FN|, dus is ∆AFN gelijkbenig en dus ∠NAF = ∠NFA.
- Omdat beide cirkels elkaar raken in punt A,
daarom hebben de stralen AN en AM een gemeenschappelijke raaklijn
en dus liggen de punten M, A en N op één lijn.
- Omdat lijn BM loodrecht staat op lijn l en lijn l loodrecht staat op lijn DENF, (gegeven)
daarom zijn de lijnen DENF en MB evenwijdig.
- Omdat de lijnen DENF en MB evenwijdig zijn, (stap 4)
daarom maakt lijn MAN Z-hoeken en dus ∠ANF = ∠AMB.
- Omdat de tophoeken van ∆AFN en ∆ABM even groot zijn, (stap 5)
daarom zijn ook de basishoeken even groot
dus ∠NAF = BAM.
- Omdat de punten M, A en N op één lijn liggen, (stap 3)
en de overstaande hoeken in punt A even groot zijn, (stap 6)
daarom ligt lijn AF in het verlengde van lijn AB.
en dus liggen de drie punten A, B en F op één lijn.
- Conclusie: punten F, ligt op lijn AB.
☐
|