|
Schets 15°

|
- Gegeven is:
- AD = AE
- BD = FE
- punt G is snijpunt van lijn BE en lijn DF.
- Construeer ∆ABF met ∠B1 = ∠B2 = ∠F1 = ∠F2 = 15°.
Bereken de hoeken in punt D en punt G.
Antwoord: (tegenvoorbeeld)
Gegeven is dat ∠B1 = ∠F1 = 15°.
Omdat 32 in iedere driehoek de som van de hoeken altijd 180° is,
is de tophoek ∠G5 = 150°.
Omdat overstaande hoeken even groot zijn 15,
daarom ∠G2,3 = ∠G5 = 150°.
Omdat nevenhoeken samen 180° zijn 13,
daarom ∠G1 = ∠G4 = 30°.
Met dit tegenvoorbeeld is dus aangetoond dat de hoeken in punt G beslist niet altijd recht zijn.
Omdat ∠B1 = 15° (gegeven) en omdat ∠G1 = 30° (berekend),
daarom is vanwege de hoekensom 32 ∠D2 = 135°
en vanwege de nevenhoek 13 is ∠D1 = 45°.
Met dit tegenvoorbeeld is dus aangetoond dat de hoeken in punt D beslist niet altijd recht zijn.
Evenzo zijn de hoeken in punt E beslist niet altijd recht.
- Toon aan dat ∆ABE = ∆AFD en dat dus BE = DF en ook ∠B1 = ∠F1.
Antwoord:
Omdat AD = AE en BD = FE en dus AB = AF,
daarom zijn de overeenkomstige zijden van ∆ABE en ∆AFD even lang.
Omdat ∠A voor beide driehoeken de ingesloten hoek is,
daarom 4 zijn ∆ABE en ∆AFD aan elkaar gelijk.
Conclusie is dat ∆ABE = ∆AFD.
Dus zijn de overeenkomstige zijden even lang, BE = DF,
en zijn ook de overeenkomstige hoeken even groot, ∠B1 = ∠F1.
- Toon aan dat ∠B1,2 = ∠F1,2.
Antwoord:
Omdat AB = AF (stap 2), daarom is ∆ABF een gelijkbenige driehoek.
Dus 5 zijn de de basishoeken even groot: ∠B1,2 = ∠F1,2.
- Toon aan dat ∆BDF = ∆BEF en dat dus ∠B2 = ∠F2
en ook ∠D2 = ∠E2.
Antwoord:
Omdat ∆BDF en ∆BEF twee even lange overeenkomstige zijden hebben, BD = EF en BF = FB (evident)
en ook de ingesloten hoeken even groot zijn, ∠B1,2 = ∠F1,2 (stap 3),
daarom 4 zijn de driehoeken BDF en BEF aan elkaar gelijk.
Conclusie is dat ∆BDF = ∆BEF.
Dus zijn de overeenkomstige hoeken even groot: ∠B2 = ∠F2
en ook ∠D2 = ∠E2.
- Toon aan dat ∆BFG gelijk benig is en dat dus BG = FG.
Antwoord:
Omdat ∠B2 = ∠F2 (stap 4),
daarom 5 is ∆BFG gelijk benig.
Dus zijn de zijden even lang: BG = FG.
NB: Omdat ∠B1 = ∠F1 (stap 2)
en omdat ∠B1,2 = ∠F1,2 (stap 3)
daarom ∠B2 = ∠F2.
- Toon aan dat ∆BDG = ∆FEG en dat dus DG = EG.
Antwoord:
Omdat ∠B1 = ∠F1 (stap 2)
en omdat ∠G1 = ∠G4 (overstaande hoeken),
en omdat de overeenkomstige zijden bovendien even lang zijn, BG = FG (stap 5),
daarom (ZHH) zijn die driehoeken gelijk.
Conclusie is dat ∆BDG = ∆FEG en dus is DG = EG.
NB: bovendien is ∠D2 = ∠E2 (stap 4)
en bovendien BG = FG (stap 5).
- Toon aan dat ∆ADG = ∆AEG en dat dus ∠A1 = ∠A2.
Antwoord:
Omdat ∠D2 = ∠E2 (stap 4), daarom zijn ook de nevenhoeken even groot 13: ∠D1 = ∠E1.
Omdat ∆ADG en ∆AEG even lange zijden hebben, AD = AE (gegeven) en DG = EG (stap 6),
omdat de overeenkomstige hoeken tussen die zijden ook even groot zijn,
∠D1 = ∠E1,
daarom 4 zijn die driehoeken gelijk.
Conclusie is dat ∆ADG = ∆AEG.
Dus zijn alle overeenkomstige hoeken even groot:
∠A1 = ∠A2.
- Laat zien dat ∠A1 en ∠A2 ieder gelijk zijn aan de helft van ∠A1,2
en dat dus lijn AG de deellijn in ∠A is.
Antwoord:
Omdat ∠A1 + ∠A2 = ∠A1,2
en omdat ∠A1 = ∠A2
daarom is ∠A1 = ∠A2 = ½∠A1,2.
Dus is lijn AG de deellijn in ∠A.
- Leg uit dat de erfenis van de boer eerlijk verdeeld is
Antwoord:
∆ABF is gelijk benig en dus is de deellijn symmetrie-as.
Gevolg is dat iedere graspol P op afstand AP van de boerderij in A
gespiegeld kan worden naar graspol Q op dezelfde afstand AP = AQ van die boerderij.
Daarom is de erfenis van de boer eerlijk verdeeld.
|
Erfenis
|