www.fransvanschooten.nl

Deel een hoek in twee gelijke hoeken


Uitwerking Opdracht 122

Schets 15°


 

 
 
  • Gegeven is:
    • AD = AE.
    • BD = FE.
    • punt G is snijpunt van lijn BE en lijn DF.
  1. Construeer ∆ABF met ∠FBG = ∠GBD = ∠BFG = ∠GFE = 15°.
    Bereken de hoeken in punt D en punt G.


    Antwoord: (tegen­voor­beeld)
    Gegeven is dat ∠BFG = ∠FBG = 15°. Omdat 32 in iedere driehoek de som van de hoeken altijd 180° is, is tophoek ∠BGF = 150°. Omdat overstaande hoeken even groot zijn 15, daarom ∠DGE = ∠BGE = 150°. Omdat neven­hoeken samen 180° zijn 13, daarom ∠BGD = ∠EGF = 30° Met dit tegen­voor­beeld is dus aangetoond dat de hoeken in punt G beslist niet altijd recht zijn.
    Omdat ∠DBG = 15° (gegeven) en omdat ∠BGD = 30° (berekend), daarom is vanwege de hoekensom 32BDG = 135° en vanwege de neven­hoek 13 is ∠ADG = 45°. Met dit tegen­voor­beeld is dus aangetoond dat de hoeken in punt D beslist niet altijd recht zijn. Evenzo zijn de hoeken in punt E beslist niet altijd recht.
  2. Toon aan dat ∆ABE = ∆AFD en dat dus BE = DF en ook ∠ABE = ∠AFD.

    Antwoord: Omdat AD = AE en BD = FE en dus AB = AF, daarom zijn de overeen­komstige zijden van ∆ABE en ∆AFD even lang. Omdat ∠A voor beide driehoeken de ingesloten hoek is, daarom 4 zijn ∆ABE en ∆AFD aan elkaar gelijk.
    Conclusie is dat ∆ABE = ∆AFD. Dus zijn de overeen­komstige zijden even lang, BE = DF, en zijn ook de overeen­komstige hoeken even groot, ∠ABE = ∠AFD.
  3. Toon aan dat ∠ABF = ∠AFB.

    Antwoord: Omdat AB = AF (stap 2), daarom is ∆ABF een gelijk­benige driehoek.
    Dus 5 zijn de de basishoeken even groot: ∠ABF = ∠AFB.
  4. Toon aan dat ∆BDF = ∆BEF en dat dus ∠FBE = ∠DFB en ook ∠BDG = ∠FEG.

    Antwoord: Omdat ∆BDF en ∆BEF twee even lange overeen­komstige zijden hebben, BD = EF en BF = FB (evident) en ook de ingesloten hoeken even groot zijn, ∠ABF = ∠AFB (stap 3), daarom 4 zijn de driehoeken BDF en BEF aan elkaar gelijk. Conclusie is dat ∆BDF = ∆BEF.
    Dus zijn de overeen­komstige hoeken even groot: ∠FBE = ∠DFB en ook ∠BDG = ∠FEG.
  5. Toon aan dat ∆BFG gelijk benig is en dat dus BG = FG.

    Antwoord: Omdat ∠FBE = ∠DFB (stap 4), daarom 5 is ∆BFG gelijk benig. Dus zijn de zijden even lang zijn: BG = FG.

    NB: Omdat ∠ABE = ∠AFD (stap 2) en omdat ∠ABF = ∠AFB (stap 3) daarom ∠EBF = ∠AFD.

  6. Toon aan dat ∆BDG = ∆FEG en dat dus DG = EG.

    Antwoord: Omdat ∠ABE = ∠AFD (stap 2) en omdat ∠BGD = ∠EGF (overstaande hoeken), en omdat de overeen­komstige aanliggende zijden bovendien even lang zijn, BG = FG (stap 5), daarom (ZHH) zijn die driehoeken gelijk.
    Conclusie is dat ∆BDG = ∆FEG en dus is DG = EG.

    NB: bovendien is ∠BDG = ∠FEG (stap 4) en bovendien BG = FG (stap 5).

    Omdat ∆BDG en ∆FEG even grote hoeken hebben, ∠ABF = ∠AFB (stap 3) en ∠FBE = ∠DFB (stap 4), en omdat de overeen­komstige aanliggende zijden bovendien even lang zijn, BG = FG (stap 5), daarom 26 zijn die driehoeken gelijk.
    Conclusie is dat ∆BDG = ∆FEG en dus is DG = EG.
  7. Toon aan dat ∆ADG = ∆AEG en dat dus ∠DAG = ∠EAG.

    Antwoord: Omdat ∠BDG = ∠FEF (stap 4), daarom zijn ook de neven­hoeken even groot 13: ∆ADG = ∆AEG.
    Omdat ∆ADG en ∆AEG even lange zijden hebben, AD = AE (gegeven) en DG = EG (stap 6), omdat de overeen­komstige hoeken tussen die zijden ook even groot zijn, ∠ADG = ∠AEG, daarom 4 zijn die driehoeken gelijk. Conclusie is dat ∆ADG = ∆AEG. Dus zijn alle overeen­komstige hoeken even groot: ∠DAG = ∠EAG.
  8. Laat zien dat ∠DAG en ∠EAG ieder gelijk zijn aan de helft van ∠BAC en dat dus lijn AG de deellijn in ∠A is.

    Antwoord: Omdat ∠DAG + ∠EAG = ∠DAE, en omdat ∠DAG = ∠EAG (stap 7), daarom ∠DAG = ∠EAG = ½∠DAE, Dus is lijn AG de deellijn in ∠A.
  9. Leg uit dat de erfenis van de boer eerlijk verdeeld is

    Antwoord:ABF is gelijk benig en dus is de deellijn symmetrie-as. Gevolg is dat iedere graspol P op afstand AP van de boerderij in A gespiegeld kan worden naar graspol Q op dezelfde afstand AP = AQ van die boerderij. Daarom is de erfenis van de boer eerlijk verdeeld.

 

 

 
Applet


 

Erfenis


 

 

top
 


Proposities van Euclides

  1. (Euclides I-4)
  2. (Euclides I-5)
  3. (Euclides I-8)
  4. (Euclides I-13)
  5. (Euclides I-15)
  6. (Euclides I-26)
  7. (Euclides I-32)

top


Vervolg I: hoek verdubbelen

Onderzoek of je deze constructie kunt gebruiken om een hoek te verdubbelen.
Gegeven is ∆DAG, gekozen is B op AD, in het verlengde van BG is E bepaald met GE = DG. Zou ∠DAG even groot zijn als ∠GAE?

Antwoord: Met de applet kun je tegen­voor­beelden maken die aantonen dat deze constructie niet de gevraagde dubbele hoek oplevert. De constructie om een hoek te halveren kun je dus niet gebruiken om een hoek te verdubbelen.
Applet

top


Vervolg II: verdeel een vierhoekig stuk land

top