www.fransvanschooten.nl

Snijdende lijnen


Uitwerking Opdracht 125


 
  • Gegeven is:
    • AB = AF
    • AD = AE
    • punt G is snijpunt van BE en DF.
    • ABAD
  1. Toon aan dat ∆ABE = ∆AFD en dat dus BE = DF en dat dus ∠BEF = ∠BDF en ook ∠ABE = ∠AFD

    Antwoord: Beide driehoeken hebben een even grote hoek in punt A want 15 overstaande hoeken zijn even groot: ∠BAF = ∠DAF. De aanliggende zijden in hoek A zijn even lang: AB = AF en AD = AE. Daarom 4 is ∆ABE = ∆AFD.
    Dus zijn alle overeen­komstige zijden even lang, BE = DF, en ook alle overeen­komstige hoeken even groot: ∠AEB = ∠ADF en ∠ABE = ∠AFD.
  2. Toon aan dat ∆EFG = ∆DBG en dat dus DG = EG en ook BG = FG.

    Antwoord: Omdat ∠ABE = ∠AFD (stap 1), daarom 13 zijn de neven­hoeken even groot: ∠ABG = ∠AFG. Omdat AB = AF en AE = AD (gegeven), daarom BD = EF. Omdat beide driehoeken gelijke hoeken hebben en de overeen­komstige zijden even lang zijn, daarom 26 zijn beide driehoeken aan elkaar gelijk: ∆EFG = ∆DBG. Dus zijn ook de overeen­komstige zijden even lang: DG = EG. Omdat BE = DF, daarom BG = FG.
  3. Benoem alle gelijkbenige driehoeken.

    Antwoord: Gelijkbenig zijn:
    • ADE omdat AD = AE (gegeven)
    • ABF omdat AB = AF (gegeven)
    • DGE omdat DG = EG (stap 2)
    • GBF omdat GB = GF (stap 2)
  4. Toon aan dat ∆ABG = ∆AFG en dat dus lijn AG de deellijn in ∠A is.

    Antwoord: Omdat AB = AF (gegeven) en omdat ∠DBG = ∠EFG (stap 2) en omdat BG = FG (stap 2), daarom 4 is ∆ABG = ∆AFG en dus ∠FAG = ∠BAG
    Twee driehoeken zijn gelijk als ze twee evenlange zijden hebben en als de ingesloten hoek even groot is. In dit geval zijn de hoeken in B en F even groot en zijn de aanliggende zijden even lang. Dat betekent dat de driehoeken even grote hoeken en even lange zijden hebben. Conclusie is dat ∆ABG = ∆AFG en dat ∠BAG = ∠CAG en dat lijn AG de deellijn in ∠A is.
  5. Leg uit dat de erfenis van de boer eerlijk verdeeld is

    Antwoord: Gelijkbenige driehoek ABF is lijnsymmetrisch: de deellijn is de symmetrie-as. Gevolg is dat iedere graspol P op afstand AP van de boerderij in A gespiegeld kan worden naar graspol Q op dezelfde afstand van die boerderij. Daarom is de erfenis van de boer eerlijk verdeeld.

 
Applet


 

Erfenis


 

 

top
 


Proposities van Euclides

  1. (Euclides I-4)
  2. (Euclides I-5)
  3. (Euclides I-13)
  4. (Euclides I-15)
  5. dan zijn die driehoeken gelijk. (Euclides I-26)
  6. Als een rechte lijn twee andere lijnen snijdt met even grote verwisselende hoeken, dan zijn die twee lijnen evenwijdig. (Euclides I-27)

top


Verdeel een vierhoekig stuk land

top