
|
- Gegeven is:
- BC = CD = DE = EF,
- punt C ligt op lijn BD,
- punten E en F liggen op lijn AD,
- punt G is het snijpunt van de lijnen BE en CF,
- punt H is het snijpunt van de lijnen BF en DG,
- punt I is het snijpunt van de lijnen AB en CH.
- Leg uit dat de lijnen BE en CF zwaartelijnen zijn en dat dus punt G een zwaartepunt is.
Antwoord:
een zwaartelijn is het lijnstuk dat een hoekpunt van een
driehoek verbindt met het midden van de zijde er tegenover. Omdat BC = CD (gegeven),
is punt C het midden van lijnstuk BD en dus is lijn CF een zwaartelijn.
Omdat DE = EF (gegeven)
is punt E het midden van lijnstuk DF en dus is lijn BE ook een zwaartelijn.
Het zwaartepunt van een driehoek is het snijpunt van de drie zwaartelijnen (bewezen stellingz).
Punt G is het snijpunt van de zwaartelijnen BE en CF.
Dus is punt G het zwaartepunt van driehoek BDF.
- Leg uit waarom lijn DH ook een zwaartelijn is en dat dus BH = FH.
Antwoord:
Alle drie de zwaartelijnen gaan door één punt (bewezen stellingz). Dus omdat
BE en CF zwaartelijnen zijn (stap 1) met G als snijpunt, dan is de lijn door de
punten D, G en H ook een zwaartelijn.
Dus ligt punt H op het midden van lijn BF en dus zijn de helften BH en FH even lang: BH = FH.
- Leg uit waarom lijn AD evenwijdig is aan lijn CH.
Antwoord:
Lijnstuk CH is een middenparallel omdat
BC = CD (gegeven) en BH = FH (stap 2).
Omdat het een middenparallel is, is lijn CH evenwijdig aan lijn AD.
- Leg uit waarom ∆BDF een vergroting is van ∆BCH
en bereken de vergrotingsfactor.
Antwoord:
De lijnen AD en CH zijn
evenwijdig aan elkaar (stap 3) en snijdende lijnen maken
29 F-hoeken:
∠BCH = ∠BDA en
∠BHC = ∠BFD.
Daarom zijn ∆BDF en ∆BCH gelijkhoekig.
Als driehoeken gelijkvormig zijn, dan zijn alle overeenkomstige zijden met dezelfde factor vermenigvuldigd en dus 6-4 een vergroting van elkaar.
De aanliggende zijden verhouden zich als 2 : 1 want
Daarom is ∆BDF een vergroting van ∆BCH met
vergrotingsfactor 2.
- Leg uit waarom ∆BDA een vergroting is van ∆BCI
en bereken de vergrotingsfactor.
Antwoord:
∆BDA is een vergroting van ∆BCI omdat 6-4 de
driehoeken gelijkhoekig zijn: gemeenschappelijke hoek B en gelijke
F-hoeken omdat AD evenwijdig is aan CH (stap 3).
De overeenkomstige zijden verhouden zich als: BD : BC = 2 : 1. De vergrotingsfactor is
dus 2.
- Leg uit waarom AI = BI.
Antwoord:
Omdat ∆BDA een vergroting is van ∆BCI met vergrotingsfactor 2 (stap 5)
daarom AB : BI = 2 : 1 en
omdat AI + BI = AB geldt dat AI = BI = ½ × AB. Dus is AI = BI.
- Leg uit waarom het probleem van de twee boeren is opgelost
Antwoord:
Beide boeren wilden de helft van de weg aanleggen. Ze zochten daarom naar het punt halverwege de weg. Dat is punt I en de gelijke stukken zijn de lijnstukken AI en BI.
| |